Achter in mijn tuin is het een tumult van jewelste. Twee merels schreeuwen om het hardst terwijl ze omhoog vliegen en omlaag duiken. Ik vermoed dat de herrie rond het nest jonge vogels te maken heeft met de in mijn tuin poepende angora van de buren. Ik ben geen voorstander van ingrijpen in de natuur, maar na ruim een uur vind ik dat ik het dappere stel een handje mag helpen. Gewapend met een emmer koud water besluip ik de pluizenbol-met-stamboom. Hij krijgt de volle laag, slaakt een kreet, maakt rechtsomkeert en stuift zeiknat door het kattenluik bij zijn baasje. 
“Die zien jullie in geen negen kattenlevens terug”, zeg ik tevreden tegen het verbaasde merelechtpaar. Mevrouw kruipt meteen bovenop haar jongen, maar meneer volgt mij tot de terrasdeur. Daar blijft hij in de opening een tijdje naar mij staan kijken.

Wanneer ik de volgende dag buiten zit te studeren, komt hij bij me op tafel zitten. Ik leg wat stukjes brood voor hem neer, die hij dankbaar heen en weer vliegt naar zijn nest. En dan, op het moment dat ik me verdiep in de wondere wereld van de menselijke hersenen, dropt hij een dikke regenworm midden op een afbeelding van de prefrontale cortex. De pier kronkelt een spoor van zand als een nieuw aangelegde dendriet tussen de neuronen. Merel gaat er triomfantelijk naast zitten, alsof hij zeggen wil: “voor jou”. Dat is het begin van een vriendschap die inmiddels vijf zomers duurt.

Ik hoef mijn hoofd maar buiten de deur te steken, of Merel is er. Elke ochtend leg ik wat muesli, een klokhuis of een ander stuk fruit voor hem neer. Wanneer zijn jongen het nest hebben verlaten, huurt hij mij in als babysitter. De jonge vogels scharrelen (en poepen) rond mijn voeten of op tafel, terwijl hij zoekt naar voedsel.

Heeft Merel zijn jongen groot en tijd over, dan verandert hij in een luidruchtig theatraal heerschap. Het leukst is het om te doen alsof ik hem niet zie. Hij komt dan steeds dichterbij, van de tafel tot op de armleuning van mijn stoel. Soms voel ik zijn zachte veren zelfs tegen mijn arm.
“Piep”, zegt hij dan. Dit eerste piepje klinkt altijd heel timide en voorzichtig. Dan springt hij terug op tafel, slaat met zijn vleugels en rent rondjes tot hij mijn aandacht heeft. Wanneer ik in de tuin werk, scharrelt hij rond mijn handen en pikt hij pieren uit de omgewoelde grond. Schrijf ik een brief, dan vindt hij het leuk om achter mijn pen aan te rennen en zo een spoor van merelpootjes op het papier te trekken. Als ik tegen hem praat, zit hij doodstil en beweegt hij zijn kopje als gehypnotiseerd van links naar rechts, aandachtig luisterend. 

Af en toe weet hij me te ontroeren. Zoals die dag waarop zich voor mijn ogen een klein drama voltrok. Terwijl ik voor de lunch een boterham smeer, vliegt een jonge merel met een knal tegen het raam. Aanvankelijk lijkt hij door te vliegen, maar dan valt hij loodrecht uit de lucht. Merel is meteen ter plekke. Hij springt heen en weer rond zijn overleden jong en drukt met zijn kop tegen het dode lichaam alsof hij wil zeggen: “kom, opstaan”.  Nadat het besef tot hem doordringt dat dood dood is, zit hij een paar uur bewegingloos als in diepe rouw naast zijn gestorven jong.

Merels’ vogelleven verschilt niet veel van het onze, zo heb ik gemerkt. Ook hij werkt om te leven, zingt van plezier, eet zich buikpijn aan lekkernijen, flirt, heeft lief, kent verdriet, sluit vriendschap, maakt ruzie en geeft zijn leven voor zijn kinderen als het moet. 
En bovendien kan hij iets, wat ik niet kan.
“Vlieg Merel”, zeg ik soms tegen hem. “Vlieg zo hoog als je kunt en zing me hoe het voelt.”

© Lian Reuvekamp 

1 Reactie

  1. Tante Annie

    Heb genoten van jou merel.

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *