Het is gezellig in de wachtkamer van de oncologisch orthopeed. Pieter* is er ook. Zijn dochter en een vriendin van haar zijn meegekomen om hem bij te staan (en nadien bij Ikea te shoppen). We praten en lachen en zouden bijna vergeten dat we hier zijn voor de uitslag van onze halfjaarlijkse controle. Een ernstige zaak, zoals af en toe blijkt uit de schrijnende verhalen van medepatiënten die reageren op mijn blog.

Zo kreeg een man na operatie aan een graad 1 tumor (net als ik), een recidief met graad 3. Hij overleed vijf maanden later. Een ander met een graad 2 in zijn ruggenwervel is vrijwel geheel verlamd. Bij een vrouw bleef een recidief van 3 cm lang, 1,5 cm breed en 1,5 cm diep lange tijd onopgemerkt, omdat er gedurende haar controles nooit beeldmateriaal werd gemaakt. Persoonlijk achtte ik middelen als röntgen en mri mogelijk erger dan de kwaal. Ik heb zelfs geprobeerd het met de specialist op een akkoordje te gooien door een jaarlijkse in plaats van halfjaarlijkse controle voor te stellen. Dat vond hij heel onverstandig en na bovenstaande verhalen begrijp ik waarom.

Graad 1 (geluk bij een ongeluk) of graad 3 (heel veel pech); het gebeurt gewoon. Je hebt er geen enkele invloed op. Het afgelopen jaar heb ik veel nagedacht over deze willekeur van het leven. Daar had ik alle tijd voor, want behalve kraakbeenkanker in mijn linkerschouder, raakte mijn rechter begin februari ‘frozen’. Hierdoor kon ik maandenlang vrijwel niets met mijn armen beginnen en was ik voor de meest elementaire dingen (haar wassen, aan- en uitkleden etc.) aangewezen op hulp. Toen ik in maart ook niet meer kon wandelen door een ontsteking in mijn voet, was het tijd voor een huilbui van een paar dagen. Daarna begon ik te bidden. 
Dat doet nood.

Aanvankelijk vroeg ik heel bescheiden om genezing van mijn voet, zodat ik tenminste weer kon lopen. Maar eigenlijk wilde ik ook wel graag weer kunnen schrijven. En ach, als God dan toch bezig was, zou Hij dan misschien zo vriendelijk willen zijn om in één moeite door mij van dat ongrijpbare chronisch vermoeidheidssyndroom te verlossen? 
Toen er niets veranderde, begon ik mijn zonden op te biechten. Daar kwam geen einde aan. Er schoten mij telkens nieuwe te binnen. Ik werd er moedeloos van.

Tijdens een van die donkere dagen van mijn ziel streek er een bijenvolk neer in onze tuin. Zomaar vanuit het niets. Van de een op de andere dag. Tientallen bijen. Vredig zoemend scharrelden ze dagelijks in de lavendel hun honingkostje bij elkaar. Er viel prima met hen samen te leven. Ze zagen mij niet voor een bloem aan, behalve de ene keer dat ik een 100%-ecologisch-pioenrozen-parfum droeg. Toen moest ik rennen voor mijn leven. Gelukkig waren het slechts vier grote passen tot de achterdeur. 

Ik raakte op de diertjes gesteld. Op een zomerse dag probeerde ik in volle concentratie, en met Erik’s camera in de aanslag, één van hen te volgen op zijn tocht door de siererwtjes, rozen, korenbloemen en lavendel. Plotseling gebeurde er iets merkwaardigs. Ik ‘zag’ mezelf op een boot. De motor was al lang uitgevallen (me/cvs) en ik was door de kraakbeenkanker in mijn schouder ook een roeispaan kwijt. Ik worstelde om koers te houden (studie, schrijven, huishouden, etc.), tot ik ook de laatste peddel verloor (frozen shoulder) en ik ronddobberde op een stuurloos schip. Op dat moment herinnerde ik me een zin uit het lied ‘A thousand kisses deep’ van Leonard Cohen:

“you loose your grip
and then you slip
into the masterpiece”

Dat is het, dacht ik.  
De mist in mijn hoofd trok op. Mijn somberheid verdween. Ik liet de controle los en tuimelde in het meesterstuk dat ‘leven’ heet, waarin ik vol verwondering die ene bij volgde. Hij had een goudkleurig kussentje in zijn nek en stuifmeelkorrels aan zijn pootjes. Ondanks zijn ijver, straalde hij rust uit. Voor hem waren de zaken gewoon zoals ze waren. En zo was het ook voor mij, besefte ik. 

Zonder motor en zonder roeispanen zit ik niet langer zelf aan het roer. Ik kan niet anders dan vertrouwen. Op de stroming. De wind. Het leven zelf. Als de zon schijnt, neem ik een duik in het heldere water. Als het regent, schuil ik onder een paraplu. Als het stormt, hang ik kotsend over de reling en bid ik de longen uit mijn lijf. Als het nacht is, droom ik duizend dromen. 
Met naast mij pen en papier. 
En Erik.

Zo leef ik, net als de bij, duizend kussen diep.

In het ziekenhuis laten de röntgen en mri van Pieter en mij geen afwijkingen zien. Wij hebben er weer een half jaar bij. We schudden elkaar blij de hand en maken een koffie-afspraak.

(Oorspronkelijk gepubliceerd op 27-10-2012)

*Pieter en ik zijn allebei in oktober 2011 aan kraakbeenkanker geopereerd. We leerden elkaar destijds in het ziekenhuis kennen.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *