Jans Reuvekamp 1862-1943 (1)
Jans Reuvekamp 1862-1943 (1)
Jans Reuvekamp 1862-1943 (1)

(11.) Johannes Paulus (Jans) Reuvekamp 10-01-1862 / 07-07-1943

Jans ca.1910

Mijn overgrootvader Johannes Paulus (Jans) wordt op ’t Werkel geboren en is het op één na jongste kind van Hendrik en Wilhelmina. Hij is twaalf jaar als zijn moeder sterft.

In de grote rooms-katholieke gezinnen van zijn tijd is het ‘gebruikelijk’ dat er ten minste één kind priester wordt of naar het klooster gaat. Jans treft het niet want zijn oudere broers en zussen zijn nogal trouwlustig en geven geen blijk van een religieuze roeping. Dus is hij de klos, maar ook hij voelt er weinig voor. 
Misschien is het de wens van zijn overleden moeder. Of van zijn vader, en wil Jans hem niet teleurstellen. Misschien ook is zijn vaders wil wet en lijkt er dus voor hem geen andere toekomst weggelegd dan het priesterschap. Hoe dan ook: Jans gaat naar het priesterseminarie. Met tegenzin, dat wel.

Op het seminarie leert Jans vloeiend Frans spreken. Daarmee oogst hij respect in een familie die alleen Zwols dialect spreekt. De Franse taal zal hem ruim 60 jaar later in de Tweede Wereldoorlog nog van pas komen. Maar op het seminarie vindt hij zijn draai niet. Zelfs na twee jaar is het priesterschap nog steeds niet zijn roeping.

Twee versies
In mijn voorwoord heb ik uitgelegd dat een verhaal ontstaat door het oog van de verteller, en dat bij elke hervertelling het verhaal telkens een beetje verandert. Zo doen er twee versies de ronde over wat er gebeurt wanneer Jans besluit om geen priester te worden, maar boer. 
Volgens een eerste versie wordt zijn vader Hendrik zó boos op hem dat hij jarenlang geen woord met zijn zoon wisselt. 
De andere versie luidt dat Jans nog op het seminarie zit als zijn vader in 1885 overlijdt. Dit lijkt aannemelijk, want Jans is dan 23 jaar en zijn vader laat ’t Werkel bij testament na aan zijn jongste zoon Antonius, die dan negentien en dus nog minderjarig is. Wanneer echter bekend wordt dat Antonius* niet op ’t Werkel wil blijven, keert Jans het seminarie de rug toe, koopt hij ’t Werkel van zijn broer en trouwt** met zijn buurmeisje, op wie hij misschien stiekem al langere tijd verliefd is. Wie zal het zeggen. 

Van Joanna zijn er helaas geen foto’s. Maar dit is Joanna’s buurvrouw Martha Reuvekamp-Kuijer (1856-1929) van Stokkebrand, met een hele sjieke knipmuts (ca. 1900).

De familie-overlevering vertelt ook nog dat zijn liefje, Joanna Damman, op de ochtend van haar huwelijk met een melkemmer vol geld van haar ouderlijk huis (’t Luibuis op Oude-Wetering 4) naar hem en haar nieuwe huis (’t Werkel op Oude-Wetering 1) loopt.
Misschien wordt daarmee (deels) de boerderij gekocht. 

Zuinigheid met vlijt
Van Joanna wordt gezegd dat ze erg zuinig is. De vrouwen in haar tijd dragen een ‘knipmuts’ en die van Joanna heeft een opknapbeurt nodig.
Een oude knipmuts als nieuw maken wordt in die tijd veel gedaan. De hele muts wordt daarvoor uit elkaar gehaald en elk onderdeel wordt gewassen en gesteven. De tule wordt opnieuw licht geblauwd en door een theebadje krijgt het kant de gewenste crème kleur. Daarna wordt alles weer in elkaar gezet en kan de draagster pronken met een ‘nieuwe’ oude muts.
Dit alles is het werk van professionele mutsenmakers.
In Joanna’s tijd kost het wassen en weer opmaken van een muts negen cent. Het opnieuw kleuren komt daar boven op. Joanna wil aan het hele gebeuren niet meer dan 25 cent uitgeven. Maar de mutsenmaker wil nog wel graag iets extra verdienen en begint een mooi verkooppraatje over allerlei mogelijke versieringen als koperen, zilveren of gouden mutsenbellen met bloedkoralen, exclusief Belgisch kloskant, stijlvolle geborduurde bloemenrandjes volgens de laatste mode, en weet ik het al niet meer. 
Joanna’s geduld raakt al gauw op. Ze legt het geld op de toonbank en zegt: 
“Hier heeft u vijf stuivers en daarvoor mag u hem net zo mooi maken als u wilt.” 
Vervolgens draait ze hem haar rug toe en loopt ze met ferme pas de winkel uit.

De ontwikkeling van de cornetmuts of knipmuts tussen 1855 en 1890.

Tot Hendriks verdriet gaat geen van zijn kinderen naar het klooster. Zijn broer Jan op Stokkebrand heeft daarentegen zelfs twee kinderen die kiezen voor een religieus leven. Zijn oudste dochter Hermina Maria (1851-1834) wordt non en zijn jongste zoon Gerardus Hendricus (1864-1946) pastoor.

(Wordt vervolgd)

*Antonius (Anton), de jongere broer van Jans, trouwt in februari 1889 en verhuist naar Ittersum (bij Zwolle). Daar treft hem een ontzettend zwaar lot, wanneer hij tussen 1919 en 1925 zowel zijn vrouw als zes van zijn zeven kinderen verliest aan de Spaanse griep en tbc.
Bijzonder detail: ik ben precies 100 jaar later op dezelfde dag en op dezelfde plaats geboren als Antonius. Allebei op 26 juni op ’t Werkel. Hij in 1865 en ik in 1965.

**Opmerkelijk: Jans trouwt op dezelfde dag als zijn zus Gerarda (!?), op 25 april 1889.

Bronnen:
– Braakman-Reuvekamp, M. (1988). Genealogie Reuvekamp. Zwolle: Uitgave in eigen beheer
– Wijnbeek, A. (2012). De cornetmuts. Hoe een modemuts in de streekdracht terecht kwam. Zwols Historisch Tijdschrift, Vol. 4, 171-178.

In onderstaand veld kunt u zoeken op naam of trefwoord:

5 Reacties

  1. Annie Reuvekamp-Beltman

    Tegelijk met broer of zus trouwen kwam in mijn jeugd nog vaak voor.
    Dat waren denk ik niet alleen de kosten, de afstanden waren soms moeilijk te overbruggen, auto’s waren schaars op het platte land.
    In boeren families (en daar hebben wij het over) moest rekening met de oogsttijd worden gehouden. De bruiloft werd gehouden op de boerderij, de hele buurt kwam eraan te pas. De deel werd omgetoverd tot feestzaal waaraan dagen lang met man en macht werd gewerkt. Het proviant, eten en drinken moest er zijn, de nichten en buurmeisjes verzorgden de z.g. bediening en het koken gebeurde ook thuis op afspraak door handige buurvrouwen.
    Het tegelijk trouwen had dus echt wel een voordeel, stel je de organisatie en tijd van voorbereiding eens voor!?

    Antwoord
  2. Annie Groote Schaarsberg- Reuvekamp

    De muts van opa zijn vrouw Johanna Damman is uit het jaar 1875 . Deze had ik gekregen van haar dochter Dina. Heb het laten herstellen. Wat opviel, dat het kant onderaan de muts kort was. Later werd het kant steeds langer. Onder de witte muts werd een kleine zwarte muts gedragen .

    Antwoord
    • Lian

      Aan de knipmuts kon je de rijkdom van de draagster aflezen. Hoe langer en breder het kant aan de muts, hoe rijker de eigenaresse. Daar komt de uitdrukking vandaan: “Wie het breed heeft, kan het breed laten hangen.”(Leuk hè?)

      Antwoord
      • Annie Groote Schaarsberg- Reuvekamp

        Lian, ik weet niet of jouw antwoord klopt, in het Zwols museum hebben ze mij verteld dat voor 1900 de mode voor mutsen korte kantenstroken hadden en dat later het kant langer werd.

        Antwoord
        • Lian

          Dat klopt ook wel. Naarmate de mensen meer welvaart kregen, werd het steeds belangrijker dat te laten zien. Men pakte vooral uit met de “Zondagse muts” die naar de kerk gedragen werd. Hier kun je erover lezen:

          Antwoord

Laat een reactie achter voor Lian Antwoord annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *